Is de premieclaim van een bedrijfstakpensioenfonds onbegrensd?

28 april 2026

Met regelmaat worden er ondernemingen geconfronteerd met de stelling van een bedrijfstakpensioenfonds dat ze ten onrechte niet zijn aangesloten bij het fonds, terwijl ze wel onder de werkingssfeer van het pensioenfonds vallen. Hierbij gaat de discussie dan al snel over heel wat jaren in het verleden waarvoor een premieclaim in de lucht hangt. Het financiële voortbestaan van de onderneming kan zelfs in gevaar komen door de omvang van de premieclaim en het alsnog inhouden van de door de werknemers verschuldigde eigen bijdrage blijkt al snel een utopie.

Werkingssfeer en terugwerkende kracht

Het feit dat de huidige werkzaamheden van de onderneming onder de werkingssfeer van het pensioenfonds vallen, maakt niet automatisch dat dit in het verleden ook zo was; de activiteiten van de onderneming kunnen gewijzigd zijn en ook de tekst van het verplichtstellingsbesluit kan door de jaren heen aangepast zijn. Niet zelden gebeurt dit laatste naar aanleiding van rechtspraak over de werkingssfeer van het pensioenfonds.

De uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant geeft een aardige inkijk hoe een toetsing van de werkzaamheden over het verleden, in combinatie met het verplichtstellingsbesluit van het pensioenfonds, kan verlopen. Het betrof hier een onderneming die in eerste aanleg alleen maar het ontwerp maakte van het betreffende (metalen) product, inclusief een prototype. Pas in een later stadium werd op beperkte schaal ook het product voor de opdrachtgever geproduceerd, waardoor er feitelijk sprake was van twee verschillende gescheiden activiteiten.

Na een aanpassing van het verplichtstellingsbesluit van het pensioenfonds (hierover gaat niet het pensioenfonds zelf, maar gaan de sociale partners in de bedrijfstak) werden de twee verschillende activiteiten gezamenlijk beoordeeld, voor de situaties dat het ontwerpen van het product werd gevolgd door het produceren van het product, door de tijd die was besteed aan het ontwerpen toe te rekenen aan de tijd die werd besteed aan het produceren (‘ten dienste van”). Dit maakte dat het merendeel van de arbeidsuren binnen de onderneming werden besteed aan de ‘metaalwerkzaamheden’ en de onderneming onder de werkingssfeer van het pensioenfonds kwam te vallen.

Vrijstelling van de aansluiting

In de Wet Verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) is voor het bestuur van een pensioenfonds de verplichting opgenomen om aan de onderneming vrijstelling van de daadwerkelijke aansluiting te verlenen. Dit ziet op de situatie dat een onderneming al een eigen pensioenregeling had, zes maanden voorafgaand aan het moment dat de verplichtstelling van het pensioenfonds op hem van toepassing werd.

De wettelijke voorwaarde die dan geldt, is dat de eigen pensioenregeling gelijkwaardig is aan de pensioenregeling van het pensioenfonds. Dit op grond van de hiervoor gegeven wettelijke rekenmethode, eventueel aangevuld met specifieke kenmerken van het pensioenfonds. In feitelijke zin moeten de werknemers niet de dupe zijn van het feit dat de werkgever een eigen pensioenregeling heeft en niet is aangesloten bij het pensioenfonds. De wet biedt wel de ruimte om de eigen pensioenregeling met terugwerkende kracht gelijkwaardig te maken middels het voldoen van aanvullende pensioenpremies aan de eigen uitvoerder. 

Er zijn ook nog wat andere gronden waarop het bestuur vrijstelling kan verlenen en dan geldt in de kern de eis van een gelijkwaardige eigen pensioenregeling ook weer.

Het begrip verjaring van pensioenpremies

De discussie ‘geen premie, wel recht’ gaat al heel lang rond in pensioenland. In de toelichting bij diverse wetsvoorstellen wordt aangegeven dat het pensioen van een werknemer die in een bedrijfstak werkzaam is, waarvoor een verplichtstelling geldt, niet ter discussie mag staan ook al zijn de hierbij behorende premies niet voldaan. In 2012 heeft de Hoge Raad dit bevestigd door te oordelen dat het deelnemerschap volgt uit het verplichtstellingsbesluit en het pensioenreglement en dus niet afhangt van de premiebetaling.

De Wet Bpf 2000 geeft aan pensioenfondsen ruime bevoegdheden voor het innen van de verschuldigde premies. Heel lang was de heersende rechtspraak dat er (nagenoeg) geen beperking zat in de periode van terugwerkende kracht, anders dan de geldende verjaringstermijn van artikel 3:306 BW.

In maart 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen over het tijdstip van opeisbaar worden van een premievordering van een pensioenfonds. Naar de mening van de Hoge Raad is op een premievordering van een pensioenfonds gewoon artikel 3:308 BW van toepassing, wat maakt dat de premievordering na een periode van vijf jaar verjaart. Het argument van het pensioenfonds dat ze niet eerder wist dat ze een premienota moesten opleggen aan de onderneming doet hieraan niets af.

Dit arrest betekent dat het pensioenfonds met onbeperkte terugwerkende kracht pensioenaanspraken moet toekennen aan de betreffende werknemers terwijl het pensioenfonds slechts over een periode van vijf jaar de premie kan incasseren.

Toch maakt de Hoge Raad nog wel een aanvullende opmerking. Een combinatie van diverse wetsartikelen maakt dat de verjaringstermijn toch langer dan vijf jaar is indien - kort gezegd- de werkgever opzettelijk het bestaan van de premievordering of de opeisbaarheid daarvan voor het pensioenfonds verborgen heeft gehouden. 

Deze ontsnapping voor het pensioenfonds is nadien in twee uitspraken ter sprake gekomen. 

De uitspraken (RBDHA:2025:21966 en GHDA:2026:145)

In de eerste uitspraak heeft Rechtbank Den Haag geoordeeld dat de verjaringstermijn van vijf jaar, zoals gesteld in het arrest van de Hoge Raad, niet van toepassing is, omdat de premievordering van het pensioenfonds gebaseerd is op een onrechtmatige daad van de onderneming wegens schending van de nalevingsplicht die volgt uit artikel 4 Wet Bpf 2000. Waarbij de rechtbank zelf overstapt van een premievordering naar een vordering van een schadevergoeding (het niet betalen van premie). Hierbij gaat de verjaringstermijn van vijf jaar pas lopen vanaf het moment dat het pensioenfonds wist dat ze schade leed en bekend was met de partij die de schade veroorzaakt.

In de tweede uitspraak heeft Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat een beroep op de korte verjaringstermijn van artikel 3:308 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, conform het arrest van de Hoge Raad, maar dat het pensioenfonds dan wel zal moeten stellen en bewijzen dat de onderneming de premievordering opzettelijk voor het pensioenfonds verborgen heeft gehouden.

Daar het pensioenfonds dit niet heeft gesteld, is sprake van verjaring van de premievordering over de periode voor 1 augustus 2018. Deze datum ligt precies vijf jaar voor de datum waarop het pensioenfonds premienota’s had verstuurd.

Waar Rechtbank Den Haag heel gemakkelijk teruggrijpt naar de uitzondering in het arrest van de Hoge Raad en zelf de stap maakt van een premievordering naar een schadeclaim, zoekt Gerechtshof Amsterdam wel de aansluiting met het genoemde arrest van de Hoge Raad, maar legt hierbij het verwijt aan de kant van het pensioenfonds. Indien ze een langere verjaringstermijn hadden willen hebben, hadden ze een claim tot schadevergoeding moeten instellen.  

Conclusie

De discussie ten aanzien van de werkingssfeer van pensioenfondsen zal de komende jaren absoluut nog voortduren, waarbij geldt dat bepaalde casussen heel duidelijk zijn en bepaalde casussen tot uitkomsten leiden die de onderneming absoluut niet had voorzien. Dit geldt met name voor casussen waarbij twee pensioenfondsen zijn betrokken en casussen waarbij de verplichtstelling van het pensioenfonds geen ondergrens stelt aan de mate waarin een activiteit binnen de onderneming wordt verricht.  

Het uitgangspunt ‘geen premie, wel recht’ zorgt er enerzijds voor dat (oud-)werknemers niet de dupe zijn van een discussie tussen hun (voormalige) werkgever en het pensioenfonds. Anderzijds maakt het ook dat een premievordering van het pensioenfonds over een lange periode in het verleden kan gelden en hierdoor een aanzienlijke omvang kan aannemen, zonder dat de onderneming alsnog een gedeelte van de premie op de (oud-)werknemers kan verhalen.

Het arrest van de Hoge Raad geeft in eerste aanleg wel duidelijkheid over de beperking van de verjaringstermijn van de premievordering. Over de uitzondering die in het arrest wordt benoemd, zullen vast nog wel de nodige procedures gevoerd gaan worden en niet in de laatste plaats over de hoogte van de eventuele gevorderde schade.

De Wet Bpf 2000 schrijft voor dat het pensioenfonds zijn premienota’s baseert op een doorsneepremie (alle deelnemers betalen dezelfde premie voor een euro pensioen, ongeacht de leeftijd), maar een verzoek tot schadevergoeding is iets anders dan een premievordering. Een gemis aan solidariteitsbijdrage (onderdeel van de doorsneepremie) is geen schade die het pensioenfonds niet zelf lijdt. De vraag is hoe de rechtspraak hier uiteindelijk mee om zal gaan.

Meer informatie of vragen?

Heb je vragen over het bovenstaande of over pensioen in het algemeen, neem dan contact op met onze pensioenspecialist Paul van Ravenzwaaij. Paul is bereikbaar per e-mail via paul.vanravenzwaaij@pellicaan.nl en telefonisch via 088 627 22 20.