De Hoge Raad zal binnenkort een oordeel vellen over ‘slapende dienstverbanden’

28 juni 2019

Inleiding

Na twee jaar van arbeidsongeschiktheid eindigt de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever en kan zij het dienstverband met goedvinden van de werknemer (via een vaststellingsovereenkomst) of na toestemming van het UWV beëindigen. In dat geval is de werkgever ook de transitievergoeding verschuldigd. Bij langdurige dienstverbanden kan de transitievergoeding een aanzienlijk bedrag zijn. Dit komt bovendien bovenop de al door de werkgever gemaakte kosten in het kader van de re-integratie.

Slapend dienstverband

Om te ontkomen aan de transitievergoeding, besluiten sommige werkgevers in een enkel geval om het dienstverband niet te beëindigen, maar ‘slapend’ te houden. Er wordt dan geen arbeid meer verricht en geen loon betaald, maar formeel blijft de arbeidsongeschikte werknemer wel op de payroll staan. Een en ander gebeurt vooral als de pensioengerechtigde leeftijd in zicht komt, omdat er na het bereiken daarvan geen aanspraak meer bestaat op een transitievergoeding.

Tot eind 2018 was de rode lijn in de jurisprudentie dat een werkgever niet verplicht kon worden de arbeidsovereenkomst met een werknemer te beëindigen. Kortom, het slapend dienstverband werd toegestaan. Wel oordeelden sommige rechters, maar ook de minister dat dit nalaten onder omstandigheden op zijn minst onfatsoenlijk kon worden genoemd.

Kentering

Op 27 december 2018 kwam er een kentering in deze vaste jurisprudentie, omdat het Scheidsgerecht voor de Gezondheidszorg bepaalde dat een werkgever van een ernstig zieke werknemer de arbeidsovereenkomst moest beëindigen en daarbij ook de transitievergoeding verschuldigd was.

Verder oordeelde Rechtbank Den Haag op 28 maart 2019 ook dat een werkgever gehouden was de arbeidsovereenkomst van een langdurig zieke werknemer te beëindigen, met als gevolg dat de transitievergoeding moest worden betaald. Hierbij nam de rechter mee dat de Wet compensatie transitievergoeding per 1 april 2020 in werking treedt en de werkgever de transitievergoeding dan kan terugvragen. Dat dit nog wel enige tijd op zich laat wachten, maakte dit niet anders volgens de rechter.

Dit oordeel wordt zeker niet door iedere rechter gedeeld. Zo oordeelde Rechtbank Limburg op 4 april 2019 bijvoorbeeld dat ook dat de Wet compensatie transitievergoeding werkgevers geen verplichting oplegt om een arbeidsovereenkomst op te zeggen. De arbeidsovereenkomst kon in die zaak dus wél slapend blijven.

In een andere zaak op 10 april 2019 bij dezelfde Rechtbank Limburg deed de werknemer zelf uitdrukkelijk een ‘redelijk voorstel’ aan de werkgever tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In oudere arresten van de Hoge Raad is (kort gezegd) geoordeeld dat werknemers over het algemeen positief horen in te gaan op redelijke voorstellen van de werkgever. De werknemer in kwestie betoogde dat dit ook omgekeerd zou moeten gelden en dat de werkgever dus redelijkerwijs zou moeten instemmen met een beëindiging van het dienstverband (en betaling van de transitievergoeding).

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

Gezien deze tegenstrijdige uitspraken tot op heden over de slapende dienstverbanden, heeft Rechtbank Limburg besloten om ‘prejudiciële vragen’ aan de Hoge Raad te stellen. Dit houdt in dat de rechter aan de Hoge Raad vraagt om duidelijkheid over dit onderwerp. De verwachting bestaat hoe dan ook dat er minder slapende dienstverbanden zullen worden aangehouden, doordat per 1 april 2020 de werkgever de transitievergoeding gecompenseerd zal kunnen krijgen.

Wij houden u op de hoogte. De Hoge Raad zal hoogstwaarschijnlijk deze zomer over dit vraagstuk oordelen.

Vragen?

Heeft u vragen over de compensatie van de transitievergoeding voor een arbeidsongeschikte werknemer die na twee jaar ziekte uit dienst gaat, stuur dan een e-mail naar richard.ouwerling@pellicaan.nl.